We bouwen textuur (= ’toonkarakter’) op door klanken slim te stapelen. Door te spelen met de geluidsdichtheid (hoeveel er tegelijkertijd klinkt) ontstaat een organisch geluid dat de luisteraar blijft boeien en de muziek laat ademen.
Textuur bepaalt dus hoe je muziek fysiek ‘aanvoelt’. Je leert hoe ritme, klank en dynamiek samen een rijk geheel kunnen vormen. Door lagen bewust op te laten komen en weer te laten verdwijnen, ontstaat er steeds weer een eigen sfeer. Hierdoor blijft het arrangement in beweging en krijgt de muziek een voelbare diepte, zonder dat het ergens te vol of te rommelig wordt.